Op grond van artikel 1:160 BW eindigt een verplichting om levensonderhoud te verschaffen aan je ex- partner wanneer deze opnieuw trouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat of is gaan samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Maar hoe stelt de rechtbank vast of jouw ex-partner met iemand samenleeft alsof hij of zij gehuwd? De rechtbank toetst aan de volgende criteria:

  1. Is er sprake van een affectieve relatie die duurzaam van aard is?
  2. Wonen zij met elkaar samen?
  3. Verzorgen de ex-partner en de nieuwe partner elkaar wederzijds?
  4. Dragen zij bij in elkaars kosten van huishouding (gemeenschappelijke huishouding) of voorzien zij op andere wijze in elkaars kosten en verzorging?

Kenmerkend aan een liefdesrelatie is naar het oordeel van de rechtbank Rotterdam op 21 juli 2025[1], uitgaande van een ‘normaal’ huwelijk, dat sprake is van affectiviteit, verbondenheid, afhankelijkheid en exclusiviteit. Fysieke intimiteit, waaronder seksueel contact, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank geen vereiste. Dat betekent dat ook een platonisch relatie onder artikel 1:160 BW valt. Bij de invulling van de criteria worden alle feiten en omstandigheden nagelopen. Denk hierbij aan het beantwoorden van de vraag of de alimentatiegerechtigde regelmatig op vakantie gaat met de nieuwe partner, of zij zelf hun toekomst duurzaam zien, hetgeen kan blijken uit de bouw van een gemeenschappelijke woning, gaan ze samen uiteten, verzorgen ze elkaars kinderen, doen ze samen boodschappen, delen ze in de kosten, hebben ze een gemeenschappelijke bankrekening, gebruiken ze elkaars voertuigen etc. Kortom is er sprake van wederzijdse verzorging en financiële verwevenheid?

Het is overigens niet nodig dat de partners op hetzelfde adres bij de gemeente staan ingeschreven. Ook als dat niet het geval is, kan de rechter oordelen dat er, gezien de overige feiten en omstandigheden, sprake is van samenwoning als ware men gehuwd. De rechter toetst of er sprake is van een “als normaal te beschouwen huwelijk”. Gehuwde mensen hoeven ook niet per se samen te wonen. Het is namelijk niet de bedoeling dat de alimentatiegerechtigde bewust niet gaat samenwonen, om zo de alimentatie te kunnen behouden.

Omdat er definitief een einde kan komen aan de alimentatieplicht, wordt niet snel aangenomen dat er sprake is van samenwoning als ware men gehuwd. De alimentatieplichtige heeft een zware stelplicht. Hierbij wordt wel rekening ermee gehouden dat de alimentatiegerechtigde beter in staat is inzicht te verschaffen in zijn of haar financiële omstandigheden dan de alimentatieplichtige dat kan. Als de alimentatieplichtige dus voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, die de alimentatiegerechtigde onvoldoende heeft betwist, kan de rechter beslissen dat hij op voorhand aanneemt dat er sprake is van samenleven als ware men gehuwd, en moet de alimentatieplichtige bewijzen dat dit niet het geval is.

Verkeert u in de situatie dat er onenigheid bestaat over de vraag of de alimentatieplicht moet komen te vervallen? Heeft u daarover vragen?

Neem vrijblijvend contact met mij op via delahaije@dbadvocatuur.nl of bel 06-55688116.

Geschreven door Tamara De la Haije op 13 augustus 2025

[1] Rechtbank Rotterdam 21 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9395